|
dinsdag, 31 januari 2012 13:44 |
|
Werknemers van een failliet bedrijf krijgen geen sociaal plan uitbetaald. Er is immers geen geld daarvoor beschikbaar. Door een uitspraak van het Hof in Leeuwarden is daar verandering in gekomen. Het Hof vond dat de moedermaatschappij van deze onderneming in aanzienlijke mate het beleid bij de dochteronderneming bepaalde en daarom ook een deel van de kosten moet betalen. Het is vooral de OR geweest die tijdens de onderhandelingen over een sociaal plan heeft aangedrongen op financiële bijstand door het moederbedrijf.
De dochter had onvoldoende middelen om een goed sociaal plan af te spreken. Er is uiteindelijk wel een conceptsociaal plan afgesproken. De kortgedingrechter heeft de moeder al veroordeeld om mee te betalen aan de kosten van het (concept) sociaal plan. Het moederbedrijf ging tegen deze uitspraak in hoger beroep bij het Gerechtshof.
Uitspraak Gerechtshof Het Hof merkt op dat partijen het erover eens zijn dat de vakbonden geen sociaal plan met het dochterbedrijf zijn overeengekomen, maar dat er wel een onderhandelingsresultaat lag. Het geschil gaat vooral over de vraag of het moederbedrijf onrechtmatig handelt ten opzichte van de werknemers van het dochterbedrijf. Het Hof vindt ook dat er intensieve beleidsbemoeienis is geweest door de top van het moederbedrijf bij de keuzes die voor het dochterbedrijf zijn gemaakt. Daarnaast gaat het in dit geschil niet om een crediteur van het dochterbedrijf, maar om de haar medewerkers die niet herplaats konden worden of geen ander werk hebben gevonden. Er ontbreekt volledig beleid waardoor de ontslagen medewerkers betere kansen op de arbeidsmarkt krijgen. Uit eerdere jurisprudentie wordt duidelijk dat een moederbedrijf een zekere zorgplicht heeft voor de schuldeisers van het dochterbedrijf. In dit geval oordeelt het Hof dat het personeel daarvoor in aanmerking komt. Het moederbedrijf dient de kosten te betalen van het sociaal plan voor zover dat betrekking heeft op moeilijk bemiddelbare werknemers.
Het is niet vanzelfsprekend dat een moederbedrijf voor de kosten van de dochter opdraait, maar uit jurisprudentie wordt wat duidelijker wanneer dat wel het geval is:
- de moeder is formeel de bestuurder van de dochter
- de moeder oefent grote invloed uit bij het dochterbedrijf (dit is in de bovengenoemde casus een belangrijke factor geweest)
- de moeder heeft harde toezeggingen gedaan aan de OR van de dochter voor de betaling de openstaande rekening, waarvan het sociaal plan er een van is.
- de moeder heeft gedurende langere tijd de indruk gewekt naar de crediteuren van de dochter dat het allemaal in orde komt. Er ontstaat dan volgens de rechtspraak een vorm van zorgplicht van moeder naar de crediteuren van de dochter, waaronder natuurlijk ook de werknemers vallen
- de moeder heeft zich - via een z.g. 403-verklaring - aansprakelijk heeft gesteld voor rechtshandelingen van de dochter. Op die manier is er vrijstelling van de plicht om voor ieder dochter een aparte gedetailleerde jaarrekening op te stellen. Ook als die 403-verklaring inmiddels is ingetrokken kan hij soms nog ‘nawerken’.
Zelf de uitspraak van het Hof lezen? Klik hier |